Voorpaginafoto
Protestantse Gemeente Noordwijk

In de vorige kerkwijzer stond een en ander over de totstandkoming van het Geneefse psalter.
In deze aflevering leest u iets over de melodieën van de Geneefse psalmen.
Het feit dat veel van de melodieën van dit psalter gedurende meer dan 4 eeuwen door mensen uit alle rangen en standen van de bevolking gezongen zijn zegt veel over de kwaliteit ervan. Nog steeds zijn bepaalde psalmmelodieën zeer geliefd bij kerkgangers. Ook componisten hebben zich vanaf het ontstaan in de 16e eeuw tot op heden laten inspireren door deze liederenschat.
Er is in het verleden veel gepubliceerd over de herkomst van de Geneefse melodieën. Daarbij is vaak geschreven dat de psalmmelodieën gebaseerd zouden zijn op wereldlijke voorbeelden.
Dit is pertinent onjuist! Voor de zgn. Souterliedekens (een Nederlandse psalmbundel die in 1540 in Antwerpen uitkwam) gold dit overigens wel. Een voorbeeld van zo’n melodie uit de Souterliedekens is te vinden bij Gezang 62 (Wie oren om te horen te horen heeft). De melodie van dit lied had oorspronkelijk de wereldlijke tekst “Wie was diegene die de loverkens brak”.
Calvijn zag een scherpe scheiding tussen volkslied en kerklied. In het voorvoord van de editie van 1543 schrijft hij daar iets over: Het volkslied was voor hem ‘leger et volage’ (weinig diepgang en wisselvallig), terwijl het kerklied gekenmerkt moet worden door ‘pois et majesté’. ‘Pois’ is kracht, gezag, gewicht en ‘majesté’ is het Franse woord voor grootsheid, verhevenheid.
De componisten van het Geneefse psalter hebben bij sommige melodieën gebruik gemaakt van gregoriaanse hymnen en zgn. sequensen uit de oudkerkelijke, voorreformatorische traditie.
Dit blijkt bij nader onderzoek uit de melodieën zelf, maar componist Louis Bourgeois heeft dit in een nawoord van de editie uit 1551 ook meegedeeld. Hij schrijft daarin o.a. dat hij bij het componeren gebruik heeft gemaakt van “enige gezangen die wij vroeger verkeerd gebruikten”.
In bepaalde gevallen is de overeenkomst heel treffend, zoals bij Psalm 80. Deze melodie heeft grote verwantschap met de melodie van “Victimae paschali laudes” een paassequens van omstreeks 1000 jaar oud. Bij 10 andere psalmen zijn overeenkomsten aan te wijzen met oude hymnen of sequensen.
Een ander duidelijk voorbeeld is de melodie van Psalm 141 die teruggaat op de middeleeuwse hymne “Conditor alme siderum” (zie gezang 226 uit ons Liedboek).
Bepaalde melodische wendingen in de psalmen zijn te verklaren vanuit de oorspronkelijke Franse tekst. In de Nederlandse berijmingen is dit verband tussen tekst en melodie meestal niet meer aanwezig. Enkele voorbeelden: Psalm 136 regel 1: ‘Louez Dieu tout hautement’. De melodie gaat hier binnen één regel een octaaf (= 8 tonen) omhoog (zie illustratie).

Psalm 136 in de originele druk uit 1562
Psalm 130 regel 1: Deze begint met een ‘val ‘naar beneden. In de oorspronkelijk tekst staat: ‘Du fond (=grond) de ma pensée’. In een Nederlandse berijming komt dit gelukkig ook naar voren: ‘Uit diepten van ellende’. Bij ‘diep’ gaat de melodie plotseling omlaag.
Motiefherhalingen worden gebruikt bij rijm of parallellie, bijv. in Psalm 75 1e regel: ‘O Seigneur, loué sera, loué sera ton renom’. In de tekst staat twee keer ‘loué sera’ en hier zit in de melodie ook een herhaling!
De psalmen van Genève werden aanvankelijk eenstemmig en onbegeleid gezongen. Orgelbegeleiding kwam pas een eeuw later in zwang, omdat men orgelspel tijdens de diensten in eerste instantie te veel van het Woord vond afleiden. Omdat de gemeentezang vaak erbarmelijk klonk is men op een gegeven moment overgegaan op orgelbegeleiding om de gemeentezang in goede banen te leiden.
Er ontstonden veel meerstemmige koorbewerkingen van de psalmen, in de calvinistische traditie bestemd voor huiselijk gebruik. Zo zijn er bewerkingen van o.a. Louis Bourgeois, Claude Goudimel en Claudin le Jeune, namen die we regelmatig tegenkomen bij de muziek in de vespers in de Oude Jeroenskerk.
Dat wij in Nederland al meer dan 400 jaar een compleet psalter hebben gehad is behoorlijk uniek . In andere landen heeft men in de meeste gevallen slechts een selectie uit de 150 psalmen opgenomen.
In het nieuwe liedboek zullen naast de berijmde psalmen ook onberijmde psalmen worden opgenomen, waardoor er meer mogelijkheden komen. De Hebreeuwse psalmen zijn immers oorspronkelijk ook geen rijmpsalmen. Bij onberijmde psalmen kan er ook de wisselwerking cantor/koor/gemeente een plaats worden gegeven. In Noordwijk komen zowel in de ochtenddiensten (soms) en in de vespers (altijd) onberijmde psalmen aan bod.
Onberijmde psalmen zijn een verrijking voor de eredienst, maar kunnen niet de plaats innemen van het Geneefse psalter, dat zulke diepe wortels heeft in het Nederlandse protestantisme.
Ook al worden sommige psalmen weinig of ooit gezongen, een compleet psalter als begin van een liedboek is een duidelijke belijdenis dat de ”lofzangen (en smekingen) van Israël” ook voor de christelijke kerken het eerste lied vormen.

Jaco van Leeuwen

Terug naar Kerkmuziek